Babesiose bij de hond

Ethiologie
In de meeste gevallen loopt een hond een infectie met Babesia op in zuidelijk Europa waar de infectie endemisch is (net als bij Leishmania en Ehrlichia). Babesia is een protozo die zich in de erytrocyten bevindt. Babesia wordt door teken overgedragen. De teek Dermacentor reticulatus is de vector van Babesia canis canis en de teek Rhipicephalus sanguineus van B. canis vogeli. Gebleken is dat geïnfecteerde Dermacentor-teken soms een periode in Nederland kunnen overleven en zich zelfs kunnen vermenigvuldigen. Dit leidde in 2004 tot een aantal gevallen van autochtone babesiose bij honden in Nederland.

Er treedt destructie van erytrocyten op, die gepaard gaat met verschijnselen van een hemolytische anemie. In tegenstelling tot leishmaniose en ehrlichiose is babesiose een acuut verlopende infectie, waarvan de verschijnselen 1 tot 3 weken na de infectie ontstaan.

De klinische verschijnselen variëren in ernst en bestaan uit een combinatie van sloomheid, anorexie, koorts, hemoglobinurie en soms braken. Bij het lichamelijk onderzoek kunnen anemie, vaak splenomegalie (miltvergroting) en in ernstige gevallen icterus worden waargenomen. Anemie is het gevolg van hemolyse en sekwestratie in de milt van geparasiteerde erytrocyten. Splenomegalie is het gevolg van een toename van de fagocytaire activiteit in de milt, in combinatie met sekwestratie van trombocyten en geparasiteerde erytrocyten in de milt, en extramedullaire erytropoëse.

In het bloedonderzoek is naast anemie als gevolg van hemolyse doorgaans ook een trombocytopenie aanwezig.

In de anamnese is doorgaans een verblijf van de hond in het buitenland aanwezig. De meest eenvoudige en snelle (echter niet de meest gevoelige) methode om in de praktijk de diagnose te stellen, bestaat uit het aantonen van de parasiet in de erytrocyten (gekleurd bloeduitstrijkje). Babesia parasiteert voornamelijk de reticulocyten. Door na bloedafname van capillair bloed specifiek van deze cellen (net onder de ‘buffy coat’) een microscopisch preparaat te maken, kan de trefkans worden verhoogd. Ook met een PCR kan de infectie worden aangetoond.

Het behandelingsadvies voor een ongecompliceerde Babesia-infectie bestaat uit twee subcutane injecties met imidocarb dipropionaat met twee weken tussentijd. Opgemerkt moet worden dat imidocarb niet is geregistreerd voor gebruik bij dieren, maar het middel is onder strenge voorwaarden bij honden, paarden en runderen wel toegestaan (‘off label use’).

De preventie bestaat uit antiparasitaire middelen die een tekeninfestatie voorkomen (banden en ‘spot-on’ producten). Er zijn vaccins op de markt die een beschermende werking van beperkte duur claimen. Hierbij moet goed gekeken worden welke varianten van Babesia aanwezig zijn in het vaccin en of men kruisbescherming mag verwachten.

Symptomen


Diagnose


Therapie


Complicaties