Lymfadenitis

Ethiologie
Bij een acute lymfadenitis is de hyperplasie vaak matig sterk en vooral folliculair. In de sinussen komen te veel macrofagen voor. Meestal is hierbij een ontstekingsreactie door bacteriën aanwezig in het wortelgebied. De lymfeknopen zijn vergroot, zacht en pijnlijk. De sneevlakte bombeert en is min of meer hyperemisch en vochtig. Dit vocht in de sinussen is afkomstig uit het wortelgebied (vergrote aanvoer van ontstekingsproducten) maar kan ook exsudaat zijn dat in de lymfeknoop is uitgetreden. In dit vocht worden vaak ook neutrofielen aangetroffen. Is er een flinke acute ontsteking in de lymfeknoop, dan kan de bedekkende huid rood zijn.

De ontsteking kan zich ook buiten het lymfeknoopkapsel uitbreiden. Hyperemie en neutrofielen, niet alleen in de sinussen maar ook in de cortex en in de mergstrengen, wijzen op de aanwezigheid van een acute ontsteking in de lymfeknoop. De mate van begeleidende hyperplastische veranderingen kan sterk variëren. Soms is de purulente ontsteking minimaal en de hyperplasie nauwelijks aanwezig. In deze gevallen is de enige verandering een iets verhoogde hoeveelheid lymfe met een geringe toename van het aantal macrofagen met enkele neutrofielen in de sinussen door iets verhoogde aanvoer uit het drainagegebied. Het is dan een marginale reactiviteit, die macroscopisch alleen opvalt doordat de lymfeknoop iets te vochtig is. Als de verwekkende bacteriën pyogeen zijn, kan in de lymfeknoop een purulente ontsteking met necrose optreden.

Een chronische lymfadenitis kan de vorm aannemen van een purulente lymfadenitis met abcedering of van een focale of diffuse granulomateuze lymfadenitis.

Symptomen


Diagnose
Aanvullende diagnostiek om de oorzaak van een lymfadenopathie vast te stellen is in eerste instantie vaak gericht op microscopisch onderzoek van de desbetreffende lymfeknopen. In het geval er gezocht wordt naar een aandoening waarbij de verhouding tussen de in de gezonde situatie in een lymfeknoop aanwezige cellen of de morfologie van deze cellen is verstoord, kan vaak volstaan worden met cytologisch onderzoek. In dat geval worden met een injectiespuit cellen uit de lymfeknoop gezogen (dunnenaald aspiratie biopsie = DNAB) en op een voorwerpglaasje uitgestreken, gekleurd, en microscopisch onderzocht.

Voor een juiste interpretatie van een DNAB is het belangrijk dat het biopt representatief is voor de situatie in de lymfeknoop. Om die reden is het verstandig meerdere DNAB’s per lymfeknoop te nemen en als bij lichamelijk onderzoek meerdere lymfeknopen afwijkend zijn om die allemaal te biopteren.

Een preparaat van een DNAB bestaat in tegenstelling tot een histologisch biopt uit losliggende cellen. Dit is voldoende om vast te stellen of er sprake is van hyperplasie van het lymfoïde weefsel. De precieze locatie en de hoeveelheid ontstekingscellen (macrofagen, neutrofielen) die zich in de lymfeknoop bevinden, kunnen echter niet worden vastgesteld in het preparaat van het DNAB. Daarom kan op basis van alleen de bevindingen van een DNAB geen uitspraak gedaan worden of er sprake is van een reactieve hyperplasie of een lymfadenitis.

Een DNAB heeft het voordeel dat het een gemakkelijk uitvoerbare, gering invasieve techniek is, waarvan snel een uitslag beschikbaar is. In sommige gevallen kan het moeilijk zijn een representatief biopt te nemen. Bij een heftig ontstoken lymfeknoop kan er zoveel exsudaat in de lymfeknoop aanwezig zijn dat het biopt te vochtig is en te weinig cellen bevat voor onderzoek. In sommige gevallen zijn de lymfeknoopcellen door de aanwezige aandoening fragieler dan in de gezonde toestand en gaan ze kapot bij het uitstrijken van het DNAB, met als gevolg dat de cellen niet meer te beoordelen zijn. Bij het maken van een cytologisch preparaat gaat het weefselverband verloren. Dit zijn allemaal voorbeelden van situaties waarin het nemen van een kwalitatief goed aspiraat van de lymfeknoop lastig is, zodat histologisch onderzoek nodig kan zijn.

Zowel bij het onderzoek van een cytologisch als een histologisch preparaat van een lymfeknoop kan ook een eventuele verwekker van lymfeknoopvergroting worden vastgesteld. Uiteraard kan ook op een andere manier de aard van de verwekker vastgesteld worden. Bijvoorbeeld door bacteriologisch onderzoek en immunologische testen, waarbij antilichamen tegen specifieke virussen of parasieten worden gezocht.

Voordat lymfe uit de weefsels via de ductus thoracicus in de bloedbaan terechtkomt, is het één of meer lymfeknopen gepasseerd. Door de filterfunctie van de lymfeknoop leiden afwijkingen in het stroomgebied vaak tot afwijkingen in de lymfeknoop die reeds bij klinisch onderzoek onderkend worden. De perifere lymfeknopen worden tijdens het algemeen onderzoek beoordeeld wat betreft hun grootte, vorm, consistentie, pijnlijkheid en verplaatsbaarheid. De differentiële diagnose die hoort bij één of meer afwijkende lymfeknopen bestaat in hoofdlijnen uit hyperplasie van de lymfeknoop, lymfadenitis en neoplasie.

De inwendige lymfeknopen zijn lastiger toegankelijk voor onderzoek, maar wanneer tijdens aanvullend onderzoek – zoals echografisch onderzoek van de buik – een of meer afwijkende lymfeknopen worden gevonden, is dezelfde differentiële diagnose van toepassing.

Therapie


Complicaties