Lymfoïde hyperplasie (reactieve hyperplasie)

Ethiologie
Over het algemeen kan van het type lymfeknoopreactie niet de oorzaak worden afgeleid, omdat het aspecifieke reacties zijn (in tegenstelling tot specifieke ontstekingen waarbij de verwekker kan worden aangetoond, zoals bij tuberculose en actinomycose). Vaak zijn macroscopisch wel de hyperplastische lymfeknoopveranderingen te onderkennen, terwijl de ontstekingsverschijnselen soms ontbreken of alleen microscopisch te zien zijn. Daarom worden dergelijke reactieve lymfeknoopvergrotingen aangeduid als reactieve hyperplasieën. De term ‘lymfadenitis’, die ook nog wel wordt gebruikt, is vanwege het ontbreken van de ontstekingsverschijnselen in dit kader onjuist. Vooral bij de chronische reacties ontbreekt de ontsteking vaak (vrijwel) geheel, terwijl de hyperplasie heel prominent aanwezig is.

Bij de folliculaire hyperplasie zijn de follikels in aantal toegenomen en de kiemcentra vergroot. Tegelijk zijn meestal de cellen van het monocyt-fagoctair systeem (MFS) langs de sinussen hyperplastisch en de mergstrengen verbreed door plasmacelophoping.

Bij de paracorticale hyperplasie bevat de verbrede paracorticale zone veel T-immunoblasten. Ook hier zijn de endotheelcellen van de sinussen en de postcapillaire venulen gehypertrofieerd. Deze lymfoïde hyperplasie is vaak heel duidelijk na entingen tegen virussen en bij chronische dermatitiden.

Sinushistiocytose is gekenmerkt door verwijding van de sinussen met zodanig sterke hyperplasie van het monocyt-fagocytair systeem (MFS), dat de sinussen vrijwel geheel gevuld zijn met deze cellen. Deze aspecifieke reactie ziet we nogal eens als in het wortelgebied een neoplasie voorkomt. Het induceert een duidelijke immunologische afweer, waarvan de effectorarm grotendeels wordt verzorgd door de macrofagen. Ook bij hemolytische anemieën ziet we vaak een sinushistiocytose met ijzerstapeling (hemosiderose). In de spontane pathologie komen de drie reactiepatronen, in wisselende verhoudingen, meestal gecombineerd voor.

In de chronische reactieve hyperplasie voelt de lymfeknoop steviger aan en is minder of niet pijnlijk. De sneevlakte is minder vochtig dan bij de acute reactie. Uiteindelijk kan de lymfeknoop vergroot, hard, droog en grotendeels zijn verbindweefseld (fibreuze transformatie van het in de sinussen geprolifereerde reticulaire weefsel). In deze gevallen wijst de fibrosering op een chronische ontsteking. Vaak treden echter alleen folliculaire, paracorticale en macrofagenhyperplasie op. Deze zijn reversibel als de prikkel weer verdwijnt, maar kunnen nog geruime tijd worden aangetroffen zonder dat de oorzaak te achterhalen is. De chronische hyperplasie kan zich uit een acute reactieve hyperplasie ontwikkelen, maar zich ook van begin af aan in deze vorm openbaren. De lymfeknopen zijn vaak vergroeid met de omgeving. Op sneevlakte vertonen deze lymfeknopen een sterk verbrede cortex ten koste van het merg. Het vrij stevige cortexweefsel vertoont microscopisch een goed gedifferentieerde opbouw met follikels en paracortex.

Symptomen


Diagnose


Therapie


Complicaties