Heparine
Toepassing
behandeling en de preventie van thrombo-embolische aandoeningen bij kat en hond
Thrombo-embolie (TE)
(Feline) Aortic Thrombo-embolism (ATE)
Info
Heparine Heparine is een wateroplosbaar mengsel van gesulfateerde mucopolysacchariden, dat de bloedstolling belet door reversiebele inhibitie van een belangrijke stap in de stollingscascade: het catalyseert de inhibitie van thrombine door antithrombine III, waardoor de omzetting van fibrinogeen naar fribrine wordt belet. Tevens remt het meerdere stollingsfactoren, die tot de vorming van thrombine aanleiding geven. Het inhibeert aldus zowel de vorming, als de werking van thrombine. Bekend is ook zijn activerende werking op het lipoproteïne-lipase met afbraak van triglyceriden in het plasma. Heparine komt voor in allerlei cellen en weefsels, o.a. mastcellen, basofielen, endotheelcellen, longweefsel en lever (vandaar de naam). Het wordt bereid door extractie van slachtafval (vooral darm van varken en long van rund). De variabiliteit in biologische activiteit en in moleculegewicht vereist standardisatie; de dosering wordt dan ook weergegeven in internationale eenheden (IE).
In de humane geneeskunde worden de niet-gefractioneerde heparines gecommercialiseerd als natrium- of calciumzout en de concentratie van de beschikbare specialiteiten op de Belgische markt varieert van 100 tot 25.000 IE /ml (Calparine®, Heparine Sodique®, Heparine Leo®). Het effect van het sterk zure heparine wordt geneutraliseerd door het alkalische protaminesulfaat (antidoot); na trage intraveneuze injectie (over 1 tot 3 minuten) bindt protamine aan heparine (complexvorming) binnen de 5 minuten (1 mg protamine neutraliseert ongeveer 100 IE heparine). Heparine is inactief per os; het wordt vooral intraveneus of subcutaan toegediend (bij intramusculaire toediening worden hematomen vastgesteld). Bij intraveneuze toediening treedt er een nagenoeg direct effect op; bij subcutane toediening is dit na ongeveer één uur het geval. Heparine vertoont een sterke eiwitbinding en heeft een korte halfwaardetijd (1 tot 2 uur bij de mens). In de diergeneeskunde zijn de interspeciesverschillen echter groot. De posologie dient aangepast te worden naargelang de resultaten van biochemische testen. De kinetiek van heparine verloopt bovendien niet lineair.
Tijdens de behandeling dienen de stollingstijden, o.a. de prothrombinetijd (PT), de partiële thromboplastinetijd (PTT) en het thrombocytengehalte te worden gecontroleerd. Heparine wordt vooral afgebroken in de lever en het reticuloendotheliaal systeem. Heparines met een laag moleculegewicht hebben een langere halfwaardetijd en een hogere biologische beschikbaarheid; ze worden vooral subcutaan toegediend. Ze werken in op factor X en niet op het trombine. Het risco op bloedingen is kleiner dan met de niet-gefractioneerde heparines. Ze worden echter niet in de diergeneeskunde gebruikt. In tegenstelling met warfarine passeert heparine niet door de placenta en mag derhalve tijdens de dracht toegediend worden. De belangrijkste neveneffecten van heparine zijn bloedingen, thrombocytopenie, hyperkaliëmie en overgevoeligheidsreacties. Landurig gebruik kan leiden tot osteoporose. Wegens het anti-aldosteron effect dient de kaliëmie te worden gecontroleerd tijdens de behandeling. Bij het paard worden intravasculaire agglutinatie van rode bloedcellen en, waarschijnlijk als gevolg daarvan, anemie als neveneffecten bij heparinetherapie met nietgefractioneerde heparines beschreven.
Diergeneeskundige toepassingen van heparine beperken zich tot de behandeling en de preventie van thrombo-embolische aandoeningen bij kat, hond en paard, alsmede tot de behandeling van “disseminated intravascular coagulation” (DIC). Bij het paard komen coagulopathiën en DIC vooral voor bij endotoxemie ten gevolge van bacteriële lipopolysachariden (LPS) die de stollingscascade kunnen activeren. In de humane geneeskunde geeft deze behandeling goede resultaten, in de diergeneeskunde zijn er nog onvoldoende gecontroleerde studies beschikbaar. De posologie is afhankelijk van de indicatie, de diersoort, de toedieningsweg en fysiologische en pathologische toestand waarin het dier zich bevindt. De dosis wordt naargelang het geval aangepast aan de respons van het dier. Het regelmatig controleren van de stollingstijden wordt uitgevoerd om parameters zoals bijvoorbeeld de tromboplastinetijd binnen aanneembare waarden te houden (1,5 x normale).
De klinische toestand van de patiënt moet worden opgevolgd om bloedingen meteen op te merken. Ter informatie, voor de behandeling van thrombo-embolische aandoeningen bij honden en katten wordt een aanvangsdosis van 100 tot 200 IE/kg intraveneus aanbevolen, gevolgd door een onderhoudsdosis van 50 tot 300 IE/kg subcutaan om de 6 tot 8 uur, of langzaam via infuus 10 tot 50 IE/kg/h voor de hond en 5 tot 10 IE/kg/h voor de kat. De profylactische dosis bedraagt: 50 tot 75 IE/kg subcutaan om de 8 tot 12 uur bij de kleine huisdieren en 100 tot 125 IE/kg subcutaan om de 12 uur bij het paard. Bij behandeling van DIC wordt meestal iets lager gedoseerd: startdosis: 50 tot 100 IE/kg i.v.; onderhoudsdosis: 50 tot 100 IE/kg s.c. om de 8 - 12 uur bij hond en kat en 40 – 80 IE/kg 3 x per dag bij het paard.
Bijwerking
Bij te snelle intraveneuze injectie van heparine kunnen hypotensie, bradycardie, pulmonaire hypertensie en dyspnee optreden.
H: 100 tot 200 IE/kg intraveneus
K: 100 tot 200 IE/kg intraveneus
- gevolgd door een onderhoudsdosis van 50 tot 300 IE/kg subcutaan om de 6 tot 8 uur, of
- langzaam via infuus 10 tot 50 IE/kg/h voor de hond en 5 tot 10 IE/kg/h voor de kat
| Heparine 5ml |
Heparine |
vloeistof |
5000IE/ml |