Oxytocine

H:
tijdens de partus: 0,5-3 IE SC, IM
na de partus: 1-3 IE SC, IM

K:
tijdens de partus: 0,3-1 IE per dier SC, IM
na de partus: 1-3 IE per dier SC, IM

Voor de behandeling van:
- weeënzwakte (teef, kat)
- uterusbloedingen (teef en kat)
- retentio secundinarum (teef en kat)


Bijwerkingen bij overdosering:
- kortdurende vasodilatatie en bloeddrukdaling
- waterretentie
- hyperstimulatio uteri waardoor verlengde en vaak optredende contracties van de uterus
- bij kramptoestand van de uterus kan de zuurstofvoorziening van de vrucht in gevaar worden gebracht.
- beïnvloeding van de foetale circulatie.

Oxytocine reageert met oxytocine-receptoren in/op gladde spiervezel(cellen) in baarmoeder en melkklier; het hormoon beïnvloedt ook, maar in veel mindere mate, gladde spiercellen in bloedvaten. Gladde spiercellen in andere weefsels zijn niet gevoelig voor oxytocine. Onder invloed van hormonale veranderingen (verandering in het evenwicht oestrogeen-progesteron ten gunste van oestrogenen) verschijnen er aan het eind van de dracht steeds meer specifieke receptoren voor oxytocine in de gladde spiercellen van het myometrium en van de mammae. Bij een normale partus is de interactie tussen receptor en (natuurlijk)oxytocine in staat om de ionenstroom over de membraan in de gladde spiercellen zodanig te veranderen dat er weeën ontstaan. Synthetisch oxytocine reageert op dezelfde wijze met de receptoren van de gladde spiercellen. Parenterale injectie van synthetisch oxytocine kan aan de ene kant een te lage productie van het hormoon door de hypofyse achterkwab (veroorzaakt door stress, ziekte etc.) aanvullen en/of de concentratieverhoudingen tussen receptor en vrij circulerend hormoon ten gunste van receptorbinding verhogen. De halfwaardetijd van oxytocine is zeer kort (in de orde van minuten). Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door een hoog gehalte aan oxytocine-afbrekend enzym, dat tijdens het eind van de dracht aanwezig is.

Oxytocin injectie Oxytocin vloeistof 10 I.E / ml